Korte verhalen & lange gedichten

Derwent Water

Hij verbrak de verbinding. Ik hield de telefoon nog een tijdlang tegen mijn oor en hoorde niets. Wat hij had gezegd was misschien niet waar. Misschien had het gesprek niet plaatsgevonden. Geen nieuws is goed nieuws.

De zon brak door. Het meer, net nog grijsachtig groen, sloeg om naar hemelsblauw.

Op het water lagen gele en rode kano’s. Ze bewogen niet. Midden op het meer werd gesurft. Door stilstaande surfers met zilveren zeilen. De geluiden bleven boven het meer hangen. Ik was onbereikbaar.

Ik ken het geluid van het meer en het gevoel van het meer. Het water is koud of koudlauw, nooit warm. We hebben er nooit in gezwommen, wel op gevaren. We zijn er nooit in gevallen, dankzij zijn oplettendheid.

We begonnen in een tweepersoonskayak, hij voorin. We droegen zwemvesten, oranjerood, de kleur van reddingsboeien. Het jaar erop vroeg hij om een eigen boot en al snel peddelden we elk in een eigen Cambridge, hij voorop. Hij ging altijd voorop. Dat was al zo toen we samen fietsten, hij in een stoeltje aan mijn stuur. Hij wees de weg. Rechtdoor moesten we (we moesten altijd rechtdoor). Ik volgde. Ik zorgde voor rugdekking.

Langs de oever staan veel naaldbomen. En eiken — eiken hebben gezag. Naaldbomen stemmen tot nadenken. Ze kleden de paden aan, ze stofferen de bosgrond. Hij liep voor me uit.

‘Hoe ver is het nog?’

‘Iets meer dan tien mijl.’

‘Wat is een mijl?’

‘Dat is een hele lange kilometer.’

‘Haha,’ zei hij misprijzend. En even later: ‘Ik vraag het wel aan mama, die weet dat soort dingen.’

Ik zag dat hij nadacht. Ik had zijn schouders leren lezen. Bij de beek pakte hij me terug.

‘Je moet je schoenen uitdoen pap, hier kun jij niet overheen springen.’

Het water was bijna twee meter breed, er was geen brug, er lagen geen stapstenen. Hij stond op de andere oever.

‘Hoe ben jij daar dan gekomen?’

Hij wees naar een overhangende tak. ‘Jouw kilo’s zijn zwaarder dan mijn kilo’s.’

We liepen verder, hij voorop. We hadden geen kaart en geen kompas, we hadden het meer. We liepen met de klok mee. Hadden we dat maar niet gedaan.

Halverwege stopten we. We zaten we op een steen, onze voeten in het meer, onze ogen gericht op de overkant.

‘Kijk,’ zei hij. Hij wees. Altijd dat wijzen van hem.

‘Kom,’ zei hij, toen hij zijn brood op had. Ik liep achter hem aan.

Het water had een honende kleur blauw aangenomen. Boven mij vloog spottend een slechtvalk. Ik keek naar het meer en zag vanuit het zuiden de wolken binnendrijven, steeds sneller, alsmaar sneller. Witte schapenwolken waren het, maar toen ik beter keek zag ik dat het witte vissenbuiken waren. In een razend tempo bedekten ze het oppervlak van het meer dat nu leek te zijn ingelegd met parelmoer. Ik wilde me omdraaien en weglopen, maar het meer wilde dat ik bleef staan en bleef kijken en luisteren.