Midden in de nacht werd ik wakker, misselijk. Ik ging naar de wc en gaf over. Ik liep terug naar mijn bed en sliep weer in. Om acht uur werd ik opnieuw wakker. Opnieuw ging ik naar de wc en gaf over. Hierna bleef ik wakker. Ik lag doodstil, om een volgende golf te voorkomen.
Het lukte me niet om naar mijn werk te bellen, om mezelf ziek te melden. Het werk belde mij. Ik reikte naar mijn telefoon. Alleen mijn ledematen kon ik veilig bewegen. Mijn hoofd en mijn romp hield ik stil.
‘Ben je ziek? Wat heb je?’
‘Misselijk,’ zei ik. ‘Overgeven.’ Het uitspreken van het woord ‘overgeven’ maakte me misselijk.
‘Iets verkeerds gegeten?’
‘Geen idee.’
‘Virusje?’
‘Zou kunnen.’
‘Oké, ik geef het door.’
Twee dagen bleef ik liggen. Ik kwam alleen uit bed om water te drinken en om een plas te doen, het eerste drie keer zo vaak als het laatste. Het overgeven ging over, de misselijkheid verdween. Ik was beter. Ik belde naar het werk.
Ik was beter dan twee dagen eerder, maar slechter dan daarvoor. Ik vroeg of ik thuis mocht werken. Dat mocht als ik aan het eind van de week maar even op het werk kwam. Het werk wilde mij... even kijken... vrijdag graag zien.
Thuis ben je productiever. Dat zeggen ze. Ze zeggen het niet speciaal tegen mij, maar in het algemeen en tegen zichzelf. Thuis kun je je beter concentreren. Dat geldt niet voor iedereen overigens. Niet voor degenen bij wie juist het omgekeerde het geval is.
Ik dwaal af.
Het was vrijdag. Ik ging niet naar het werk, ik belde. Ik ben nog steeds ziek, zei ik. Niet misselijk, maar wel ziek.
‘Oh, zei het werk. Ben je al naar de dokter geweest?’
‘Nee.’
‘Dat zou ik dan maar even doen als ik jou was.’
En toen begon het. Of misschien was het al eerder begonnen. Ik ging niet naar de dokter. Ik maakte geen afspraak, ik deed het niet.
Het werk belde om te vragen wat de dokter had gezegd.
‘De dokter zei dat ik nog even thuis moest blijven, zei ik. Dat hij het nog even aan wilde zien.’
‘Oh.’
Het werk stuurde iemand langs, een collega, de collega die sinds mijn ziekte mijn taken erbij deed, wat haar een beetje begon op te breken, zei ze. Niet dat ze het met tegenzin deed, mijn taken erbij nemen, integendeel. Ze hield van hard werken, maar er gingen maar zoveel uren in een dag en ze had ook bezigheden buiten het werk, zoals ik zou begrijpen. Ik begreep het, ook al had ik zelf geen bezigheden buiten het werk. Ik begreep het heel goed.
Ze vroeg wat ik zoal deed. Ik slaap, zei ik. Ik drink water en soms een kopje thee. Ik eet wat ik in huis heb, maar ik heb niet zo heel veel meer in huis. Ik ben bijna door mijn voorraden heen. Ze bood niet aan iets voor me te gaan halen.
Ik kreeg een oproep van de bedrijfsarts.
Ik ging niet.
Het werk kwam opnieuw langs, nu in de vorm van een collega van de afdeling Human Resources. Hij hield zijn jas aan. Daaronder, zag ik, droeg hij een pak met overhemd en stropdas. Donkerpaarse leren schoenen met een werkje.
‘Ik wil weten wat er aan de hand is,’ zei hij.
‘Dat zou ik ook wel willen, zei ik, maar ik weet het niet.’
‘Vertel,’ zei hij.
Ik vertelde wat ik niet wist. Wanneer het was begonnen: twee weken geleden? Wat het was: een onvermogen om naar het werk te gaan? Wat ik dacht eraan te doen: wist hij iets?
‘Je hebt toch geen agorafobie of zo,’ zei hij.
‘Ik weet het niet,’ zei ik.
Een vriendin van hem had dat, zei hij. Paniekaanvallen als ze de deur uit moest. Hij keek me vragend aan.
‘Geen paniek,’ zei ik.
‘Ik wil dat je morgen even een stukje gaat lopen,’ zei hij.
‘Lopen?’
‘Even een rondje door het park.’
‘Het park?’
‘A walk in the park. Dat is toch niet zo moeilijk?’
De volgende morgen trok ik na een licht ontbijt mijn schoenen aan. Grijze sneakers met felgele, reflecterende zolen. Ik zat op de bank. Klaar om te gaan.